Het skelet wordt gevormd door de wervelkolom, ribben, borstbeen en ledematen. De functie van het skelet is het verschaffen van een stevig raamwerk voor het lichaam en om kwetsbare weefsels en organen te beschermen en te ondersteunen. Naast beenderen bestaat het skelet uit ligamenten (banden) die de diverse onderdelen van het beenderstelsel met elkaar verbinden en die beweging in de gewrichten mogelijk maken. Het kraakbeen heeft de functie de wrijving in de gewrichten te verminderen. De beenderen van het skelet zijn bekleed met periost (beenvlies); dit heeft een beschermende werking en zorgt voor de genezing van botbreuken. Bij gewrichten ontbreekt het periost en zorgen de gewrichtskapsels voor omhulling van de gewrichten. Tussen de gewrichtsvlakken bevindt zich de gewrichtvloeistof (synovialis).

Ledematen
De voorbenen van het paard zijn niet via gewrichten aan de romp verbonden, maar door middel van grote spieren die aanhechten aan de schouderbladen en borstkas. Hierdoor is de romp verend opgehangen tussen de schouderbladen. Het ellebooggewricht bevindt zich ter hoogte van de onderrand van de borst.

De onderarm wordt gevormd door de radius (spaakbeen) en de daarmee vergroeide ulna (ellepijp). De voorknie is het gewricht dat overeenkomt met het polsgewricht van de mens. De pijp bestaat uit drie middenhandsbeenderen waarvan de middelste de eigenlijke pijp is; de twee andere beentjes zijn met de pijp vergroeid en worden griffelbeentjes genoemd. De pijp gaat via het kootgewricht over in de ondervoet. Aan de achterzijde van het kootgewricht liggen de twee sesambeentjes. De ondervoet bestaat uit het kootbeen, kroonbeen en hoefbeen; hiertussen liggen gewrichten.

Aan de achterzijde van het hoefgewricht ligt het straalgewricht. Sesambeentjes en straalbeen zijn belangrijke onderdelen van het kootgewricht dan wel het hoefgewricht. De achterbenen van het paard zijn aan het bekken bevestigd door middel van het heupgewricht. Achtereenvolgens bestaat het achterbeen uit dijbeen, het kniegewricht met de knieschijf. Vervolgens het gedeelte van het paard dat uitwendig de schenkel wordt genoemd en inwendig bestaat uit het scheenbeen en het daarmee vergroeide kuitbeen. Daarna volgt het gecompliceerde spronggewricht dat uit 7 beenderen bestaat; het komt overeen met enkel en hiel van de mens. Na de pijp volgt tenslotte de ondervoet.

Spieren
De functie van de spieren is het mogelijk maken van de lichaamsbewegingen. De spieren van het skelet staan onder controle van de wil; daarnaast kennen we onwillekeurige spieren zoals de hartspier en de gladde spieren die zich in de ingewanden bevinden. Door middel van pezen zijn de skeletspieren verbonden aan de beenderen. Deze pezen kunnen in lengte sterk variëren. Veel skeletspieren werken in paren bijvoorbeeld de buigers, een spiergroep in het been die het been doet buigen en de strekkers die de tegenovergestelde werking hebben. De spieren van de ledematen hebben zeer lange pezen. De eigenlijke spieren rond de ledematen bevinden zich alleen boven de voorknie en het spronggewricht. Beneden deze gewrichten lopen talrijke pezen die zorgen voor buiging en strekking van de daaronder liggende gewrichten. Aan de achterzijde van de pijpen lopen achtereenvolgens: oppervlakkige buiger; deze hecht aan het kootbeen en het kroonbeen, diepe buiger; deze loopt over het straalbeen en hecht aan het hoefbeen, tussenpees; deze hecht aan de sesambeentjes. Deze pezen zorgen gezamenlijk voor de buiging van de gewrichten van de ondervoet. De strekpezen lopen aan de voorzijde van de pijpen.

Indien een spier onvoldoende of niet gebruikt wordt, zal de spier dunner worden, bleker en slapper. Bijvoorbeeld bij een botbreuk en dus immobilisatie, zenuwstoornis en ouderdom. Maar ook bij chronische ziekten zullen spieren in omvang afnemen en zwakker worden, doordat essentiële voedingsstoffen voor belangrijkere lichaamsfuncties gebruikt worden. We spreken in deze gevallen van atrofie, waarbij het aantal spiervezels niet afneemt maar alleen dunner wordt.

Het tegenovergestelde, het dikker en sterker worden van de spieren, wordt hypertrofie genoemd (training). De spiervezels kunnen ook aangetast zijn. Indien dit met een ontsteking gepaard gaat spreken we van myositis. Indien er sprake is van spierverval zonder ontsteking spreken we van spierdegeneratie. Natuurlijk kan de één het gevolg zijn van het ander. Degeneratie van spieren kan het gevolg zijn van een groot aantal oorzaken. Vaak degenereren de spiervezels en in hun plaats wordt bindweefsel gevormd. Het gevolg is een afgenomen functionaliteit van de spier.

Gewrichten
Een gewricht is een beweeglijke verbinding tussen twee beenderen. Een gewricht bestaat uit de gewrichtsvlakken, die bestaan uit kraakbeen, het gewrichtskapsel bestaande uit bindweefsel, en de gewrichtsholte waarin wat geel dradentrekkende vloeistof en soms kraakbeen (meniscus) aanwezig is. Het kraakbeen van de gewrichtsvlakken heeft maar een kleine regeneratiecapaciteit. Kleine defecten kunnen genezen, maar grotere niet. Grotere defecten kunnen worden opgevuld met bindweefsel, waarin zich kraakbeen of been vormt.
Het skelet wordt gevormd door de wervelkolom, ribben, borstbeen en ledematen. De functie van het skelet is het verschaffen van een stevig raamwerk voor het lichaam en om kwetsbare weefsels en organen te beschermen en te ondersteunen. Naast beenderen bestaat het skelet uit ligamenten (banden) die de diverse onderdelen van het beenderstelsel met elkaar verbinden en die beweging in de gewrichten mogelijk maken. Het kraakbeen heeft de functie de wrijving in de gewrichten te verminderen. De beenderen van het skelet zijn bekleed met periost (beenvlies); dit heeft een beschermende werking en zorgt voor de genezing van botbreuken. Bij gewrichten ontbreekt het periost en zorgen de gewrichtskapsels voor omhulling van de gewrichten. Tussen de gewrichtsvlakken bevindt zich de gewrichtvloeistof (synovialis).

Ledematen
paardenbenenDe voorbenen van het paard zijn niet via gewrichten aan de romp verbonden, maar door middel van grote spieren die aanhechten aan de schouderbladen en borstkas. Hierdoor is de romp verend opgehangen tussen de schouderbladen. Het ellebooggewricht bevindt zich ter hoogte van de onderrand van de borst.

De onderarm wordt gevormd door de radius (spaakbeen) en de daarmee vergroeide ulna (ellepijp). De voorknie is het gewricht dat overeenkomt met het polsgewricht van de mens. De pijp bestaat uit drie middenhandsbeenderen waarvan de middelste de eigenlijke pijp is; de twee andere beentjes zijn met de pijp vergroeid en worden griffelbeentjes genoemd. De pijp gaat via het kootgewricht over in de ondervoet. Aan de achterzijde van het kootgewricht liggen de twee sesambeentjes. De ondervoet bestaat uit het kootbeen, kroonbeen en hoefbeen; hiertussen liggen gewrichten.

Aan de achterzijde van het hoefgewricht ligt het straalgewricht. Sesambeentjes en straalbeen zijn belangrijke onderdelen van het kootgewricht dan wel het hoefgewricht. De achterbenen van het paard zijn aan het bekken bevestigd door middel van het heupgewricht. Achtereenvolgens bestaat het achterbeen uit dijbeen, het kniegewricht met de knieschijf. Vervolgens het gedeelte van het paard dat uitwendig de schenkel wordt genoemd en inwendig bestaat uit het scheenbeen en het daarmee vergroeide kuitbeen. Daarna volgt het gecompliceerde spronggewricht dat uit 7 beenderen bestaat; het komt overeen met enkel en hiel van de mens. Na de pijp volgt tenslotte de ondervoet.

Spieren
De functie van de spieren is het mogelijk maken van de lichaamsbewegingen. De spieren van het skelet staan onder controle van de wil; daarnaast kennen we onwillekeurige spieren zoals de hartspier en de gladde spieren die zich in de ingewanden bevinden. Door middel van pezen zijn de skeletspieren verbonden aan de beenderen. Deze pezen kunnen in lengte sterk variëren. Veel skeletspieren werken in paren bijvoorbeeld de buigers, een spiergroep in het been die het been doet buigen en de strekkers die de tegenovergestelde werking hebben. De spieren van de ledematen hebben zeer lange pezen. De eigenlijke spieren rond de ledematen bevinden zich alleen boven de voorknie en het spronggewricht. Beneden deze gewrichten lopen talrijke pezen die zorgen voor buiging en strekking van de daaronder liggende gewrichten. Aan de achterzijde van de pijpen lopen achtereenvolgens: oppervlakkige buiger; deze hecht aan het kootbeen en het kroonbeen, diepe buiger; deze loopt over het straalbeen en hecht aan het hoefbeen, tussenpees; deze hecht aan de sesambeentjes. Deze pezen zorgen gezamenlijk voor de buiging van de gewrichten van de ondervoet. De strekpezen lopen aan de voorzijde van de pijpen.

Indien een spier onvoldoende of niet gebruikt wordt, zal de spier dunner worden, bleker en slapper. Bijvoorbeeld bij een botbreuk en dus immobilisatie, zenuwstoornis en ouderdom. Maar ook bij chronische ziekten zullen spieren in omvang afnemen en zwakker worden, doordat essentiële voedingsstoffen voor belangrijkere lichaamsfuncties gebruikt worden. We spreken in deze gevallen van atrofie, waarbij het aantal spiervezels niet afneemt maar alleen dunner wordt.

Het tegenovergestelde, het dikker en sterker worden van de spieren, wordt hypertrofie genoemd (training). De spiervezels kunnen ook aangetast zijn. Indien dit met een ontsteking gepaard gaat spreken we van myositis. Indien er sprake is van spierverval zonder ontsteking spreken we van spierdegeneratie. Natuurlijk kan de één het gevolg zijn van het ander. Degeneratie van spieren kan het gevolg zijn van een groot aantal oorzaken. Vaak degenereren de spiervezels en in hun plaats wordt bindweefsel gevormd. Het gevolg is een afgenomen functionaliteit van de spier.

Gewrichten
Een gewricht is een beweeglijke verbinding tussen twee beenderen. Een gewricht bestaat uit de gewrichtsvlakken, die bestaan uit kraakbeen, het gewrichtskapsel bestaande uit bindweefsel, en de gewrichtsholte waarin wat geel dradentrekkende vloeistof en soms kraakbeen (meniscus) aanwezig is. Het kraakbeen van de gewrichtsvlakken heeft maar een kleine regeneratiecapaciteit. Kleine defecten kunnen genezen, maar grotere niet. Grotere defecten kunnen worden opgevuld met bindweefsel, waarin zich kraakbeen of been vormt.